De lessen die ik in Mariënvelde leerde over gemeenschapskracht, relationeel werken en de rol van een digitaal buurtplatform.
Vorige week was ik bij een bijeenkomst van de P10, het samenwerkingsverband van grote plattelandsgemeenten. We waren te gast bij Zorgcooperatie Mariënvelde. Ik mocht daar iets vertellen over hoe de aanpak van mijnbuurtje.nl mensen in dorpen en wijken helpt om elkaar makkelijker te vinden en meer met elkaar te doen. Maar eerlijk gezegd werd ik die dag zelf minstens zo geïnspireerd.
In dit artikel lees je wat ik daar leerde. Over leiderschap zonder ego. Over het herkennen van relatiekansen. Over het verschil tussen een transactionele en een relationele manier van werken. En over de vraag hoe een digitaal buurtplatform die beweging niet overneemt, maar juist kan versterken.
--> weinig leestijd? Check de infographic van dit artikel!
We kregen een rondleiding van Joske Elsinghorst-van Huet, voorzitter van het bestuur van Zorgcorporatie Mariënvelde. Zij vertelde hoe het dorp ooit begon met de wens voor een sporthal. De reactie vanuit de gemeente was ongeveer wat je vaker hoort: mooi idee, maar voor zo’n klein dorp waarschijnlijk niet haalbaar.
Daar hadden ze het bij kunnen laten, maar dat deden ze dus niet!
Ze gingen opnieuw kijken. Niet alleen naar een sporthal, maar naar wat het dorp als geheel nodig had. Zo ontstond uiteindelijk een plek waar sport, ontmoeting, dagbesteding, zorg, verenigingen en vrijwilligerswerk samenkomen. De plek ligt aan het voetbalveld, er is een bar, mensen lopen in en uit en allerlei functies versterken elkaar.
Wat mij vooral opviel, was niet alleen wat ze daar hebben gebouwd, maar hoe ze kijken.
Joske beweegt makkelijk tussen zorg, welzijn, inwoners, gemeente en bestuur. Ze lijkt zich niet zo druk te maken om de vraag bij welk domein iets hoort. Haar vraag is eerder: wat helpt het dorp verder? Dat klinkt simpel, maar dat is het natuurlijk niet. In de praktijk zitten budgetten, regels en verantwoordelijkheden vaak keurig van elkaar gescheiden. Soms zo keurig dat niemand er nog tussendoor past.
In Mariënvelde proberen ze daar dwars doorheen te werken. Niet door systemen te negeren, maar door ze dienstbaar te maken aan wat de gemeenschap nodig heeft.
Tijdens haar verhaal kwamen voor mij drie belangrijke lessen steeds terug: geef leiding zonder zelf centraal te willen staan, kijk voortdurend naar kansen voor nieuwe relaties en organiseer niet alleen transacties, maar bouw aan een gemeenschap.
Geen ego
Joske gebruikte tijdens haar verhaal regelmatig dezelfde woorden: “Geen ego.”
Ze vertelde dat dit een belangrijke succesfactor is geweest. Mensen die leidinggeven, moeten niet zelf willen stralen. Het gaat niet om de directeur, de bestuurder, de wethouder of de organisatie. Het gaat om het dorp.
Dat deed me denken aan het boek van Birgit Oelkers over gemeenschapsgericht leiderschap. Leiderschap betekent dan niet dat jij alles bedenkt en anderen laat aansluiten. Het betekent dat je ruimte maakt, goed kijkt waar energie zit en mensen helpt om elkaar te vinden. Dat vraagt soms dat je zelf een stap terugdoet. Dat klinkt vriendelijk en bescheiden, maar het vraagt juist behoorlijk stevig leiderschap. Zeker wanneer geld, aandacht en bestuurlijke belangen in beeld komen.
Joske vertelde ook dat een plotselinge toename van geld niet alleen ruimte gaf, maar eveneens onrust veroorzaakte. De aandacht verschoof al snel van wat de gemeenschap nodig had naar de vraag hoe het geld besteed en verantwoord moest worden. Meer geld betekent niet automatisch meer gemeenschapskracht. Soms groeit vooral de administratie.
Ook het bezoek van de Koning leverde een mooi beeld op. Sommige inwoners vonden een gesprek met de wethouder aanvankelijk al spannend. Twee jaar later stonden diezelfde mensen hun project aan de Koning uit te leggen. Joske beschreef hoe trots ze daarop was. Niet omdat zijzelf op het podium stond, maar omdat inwoners zichtbaar waren gegroeid.
Dat bevestigde opnieuw waar het om draait: geld, erkenning en aandacht zijn welkom, zolang ze de gemeenschap dienen.
Relatiekansen zien
Tijdens de rondleiding vertelde Joske verschillende verhalen waarin steeds dezelfde manier van kijken terugkwam. Niet alleen vragen wat iemand nodig heeft, maar ook wat er kan ontstaan wanneer mensen elkaar ontmoeten.
Een groep van zes inwoners begon bijvoorbeeld samen kabouters te maken. Dat klinkt misschien als een aardige knutselactiviteit, maar er gebeurde veel meer. De groep bleef jarenlang bij elkaar, omdat de deelnemers elkaar gingen missen als ze niet samenkwamen. Onderweg bleek de één prachtig te kunnen tekenen, een ander ontwierp kaarten en weer iemand anders schreef de verhalen. Uiteindelijk ontstond er zelfs een boekje. Uit één activiteit groeiden nieuwe relaties, zichtbaar talent, creativiteit en ondernemerschap.
Joske vertelde ook over een vrouw die door haar lichamelijke beperkingen steeds somberder werd. Ze werd uitgenodigd om mee te gaan op de duofiets en fleurde daarvan zichtbaar op. Tijdens die contacten ontdekten ze dat zij geweldig met mensen kon praten en anderen veel persoonlijke aandacht gaf. De vraag veranderde daardoor. Niet langer alleen: wat kunnen wij voor haar doen? Maar ook: wat kan zij hier voor anderen betekenen?
Ook kleine keuzes in het gebouw laten die manier van denken zien. Kinderen die op hun broer of zus wachten bij de gymles, vinden er boeken en speelgoed. Zelfs wachttijd wordt benut om de plek prettig en levendig te maken.
Volgens mij is dat de kern van gemeenschapsopbouw: steeds opnieuw relatiekansen zien. Een activiteit is dan niet alleen iets om de tijd mee te vullen. Een hulpvraag is niet alleen een probleem dat opgelost moet worden. Iemand die zorg nodig heeft, is niet alleen ontvanger van hulp. In iedere ontmoeting kan iets nieuws ontstaan.
Dat is ook waarom één initiatief soms een begin is: van het één komt het ander. Mensen leren elkaar kennen, ontdekken hun talent, krijgen meer vertrouwen en beginnen vervolgens weer iets nieuws. Niet omdat iemand dat van tevoren in een projectplan heeft uitgetekend, maar omdat er ruimte ontstaat waarin mensen elkaar kunnen vinden.
Van afvinken naar verbinden
Veel systemen zijn vooral ingericht op transacties. Er is een vraag. Er is aanbod. Die worden aan elkaar gekoppeld. Klaar.
Dat werkt bijvoorbeeld prima bij duidelijke vrijwilligersvacatures. Een vereniging zoekt een penningmeester, gastvrouw of secretaris. Iemand meldt zich aan. De vacature is vervuld. Daar is niets mis mee.
Maar gemeenschapsopbouw vraagt meer. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of een taak is uitgevoerd, maar ook om wat er tussen mensen ontstaat.
Hebben ze elkaar leren kennen? Is er vertrouwen gegroeid? Weet iemand de volgende keer zelf bij wie hij kan aankloppen? Is het netwerk van iemand groter geworden? Ontstaat uit dat ene contact misschien later weer iets nieuws?
Dat zijn andere vragen dan: hoeveel matches hebben we gemaakt? Hoeveel vacatures zijn ingevuld? Ze zijn lastiger af te vinken, maar ze raken veel meer waar het om gaat.
Voor opbouwwerkers, sociaal makelaars en welzijnswerkers is dat de kern van hun vak. Zij regelen niet alleen activiteiten of hulp. Zij zien waar verbinding mogelijk is en helpen die ontstaan.
Tegelijk staan juist deze professionals vaak onder druk om concrete resultaten te laten zien. Aantallen deelnemers, afgeronde taken, ingevulde formulieren en liefst een dashboard waarop alles tevreden groen kleurt. Dat snap ik. Maar als alleen dat telt, raak je makkelijk kwijt waar het werk werkelijk over gaat.
Sterkere relaties lijken misschien zacht. De gevolgen zijn dat niet. Mensen voelen zich minder alleen. Ze durven eerder hulp te vragen. Ze weten wie er in hun buurt woont. Ze organiseren makkelijker iets samen. Een dorp of wijk wordt weerbaarder doordat mensen elkaar kennen en vertrouwen.
Dat helpt uiteindelijk ook bij veel doelen waar gemeenten aan werken, zoals preventie, leefbaarheid, zorgzame buurten en minder eenzaamheid. Alleen loopt de weg daarheen meestal niet in een keurige rechte lijn.
Huisarts
Dat zie je ook in de samenwerking met de huisarts en de praktijkondersteuner. Door al vroeg contact te leggen met oudere inwoners, kennen mensen elkaar voordat er grote problemen ontstaan. Als er later wel iets speelt, is bellen makkelijker. De huisartsen merken bovendien dat sommige inwoners minder vaak contact opnemen, doordat er eerder in de gemeenschap iets ontstaat. Niet omdat iemand begon met de opdracht om huisartsbezoeken terug te dringen, maar omdat relaties eerst kwamen.
Je krijgt geen sterke gemeenschap door “minder eenzaamheid” bovenaan een projectplan te zetten. Je krijgt haar door omstandigheden te maken waarin mensen elkaar ontmoeten, iets voor elkaar betekenen en samen verantwoordelijkheid nemen.
Een dunne digitale laag als vliegwiel
Terwijl ik daar rondliep, dacht ik ook aan onze eigen aanpak van mijnbuurtje.nl. Daarbij maken inwoners in de rol van buurtverbinder samen met een digitaal buurtplatform zichtbaar wat hun dorp of wijk allemaal te bieden heeft. Ze delen verhalen, activiteiten, hulpvragen, organisaties, talenten en initiatieven en helpen mensen om elkaar te vinden.
Mariënvelde laat duidelijk zien dat een sterke gemeenschap ook zonder digitaal platform kan ontstaan. Een platform bouwt de gemeenschap niet. Dat doen mensen. Je kunt je afvragen: “Is zo’n platform dan nog wel nodig?". Een logische vraag😅. En ja! Een goed opgezet en gebruikt buurtplatform kan een vliegwiel worden. Het helpt om bestaande energie op te pakken, te verspreiden en te versterken. Wat anders verspreid blijft over hoofden, prikborden, losse appgroepen, nieuwsbrieven en toevallige gesprekken, komt dan samen op één herkenbare plek. Daardoor vinden inwoners, verenigingen en professionals elkaar sneller. Nieuwe mensen kunnen makkelijker aanhaken en initiatieven hoeven niet telkens opnieuw het wiel uit te vinden.
Dat gebeurt alleen niet vanzelf. Een platform zonder betrokken mensen blijft een lege digitale zaal. Alles staat netjes klaar, maar niemand zet koffie. Het krijgt pas echt waarde wanneer buurtbewoners ervoor zorgen, verhalen ophalen, mensen uitnodigen en steeds opnieuw met die relationele blik kijken: wie kan hier meedoen, wie kunnen we verbinden en wat kan hieruit groeien? Daarom zijn goed opgeleide en betrokken buurtverbinders zo belangrijk. Zij vullen niet een website. Zij helpen de gemeenschap om zichzelf te zien.
Zij herkennen dat een activiteit meer is dan een agendapunt. Dat een hulpvraag ook een kans op een nieuwe relatie vormt. Dat achter een organisatiepagina mensen zitten die iets samen willen bereiken. En dat een mooi verhaal iemand over de drempel kan helpen om voor het eerst mee te doen.
Een relationeel buurtplatform maakt zulke kansen eerder zichtbaar en helpt ze langer vast te houden. Daardoor kan één activiteit tot nieuwe contacten leiden, een klein initiatief nieuwe vrijwilligers aantrekken en een verhaal iemand inspireren om zelf iets te beginnen.
Dat is het vliegwieleffect: niet alleen één vraag oplossen, maar zorgen dat uit één beweging weer nieuwe beweging ontstaat.
Voor inwoners betekent dat dat zij makkelijker ontdekken wat er in hun omgeving mogelijk is en waar ze zelf aan kunnen bijdragen. Voor sociaal makelaars, opbouwwerkers en welzijnswerkers betekent het dat hun bereik groter wordt. Zij zien meer signalen, vinden makkelijker aanknopingspunten en hoeven minder tijd te besteden aan het bij elkaar zoeken van losse informatie. Het platform neemt hun werk niet over. Het versterkt hun vakmanschap.
Zo kijk ik naar mijnbuurtje.nl: niet als een systeem dat vooral taken afhandelt, maar als een relationeel buurtplatform. Een dunne digitale laag onder de gemeenschap, die helpt om meer mensen te bereiken, meer relatiekansen te benutten en bestaande energie te laten groeien.
Een transactioneel platform vraagt vooral: wie kan deze taak uitvoeren? Een relationeel platform helpt daarnaast om de volgende vraag te stellen: wie kunnen we hier met elkaar verbinden, en wat kan daar vervolgens uit ontstaan? Dat verschil lijkt klein. Maar volgens mij bepaalt het uiteindelijk of je vooral losse transacties organiseert of samen aan een gemeenschap bouwt.
Ik kwam iets vertellen en leerde ook iets
Ik ging naar Mariënvelde om te vertellen over buurtverbinding. Ik kwam terug met een voorbeeld dat mijn eigen inzicht scherper maakte.
Gemeenschapsopbouw begint niet bij systemen, subsidies of platforms. Het begint bij mensen. Bij goed kijken naar wat er al is. Bij leiders die niet zelf willen stralen. Bij professionals en inwoners die niet alleen taken zien, maar ook relatiekansen. En bij de steeds terugkerende vraag: welke verbinding kan hier ontstaan? Vanaf het moment dat je zo kijkt, verandert er veel.
Dan is een wachtruimte niet alleen een wachtruimte. Een hulpvraag niet alleen een taak. Een sporthal niet alleen een gebouw. En is een digitaal buurtplatform niet alleen een systeem, maar een vliegwiel dat helpt om relaties te laten ontstaan, groeien en steeds weer nieuwe beweging op gang te brengen.